De ballingschap betekende het einde van het materiële rijk Israël: het was zijn grondgebied en zijn onafhankelijkheid kwijt, hoofdstad en tempel waren verwoest. De ballingschap scheen de ondergang, de dood van Israël te betekenen, maar uiteindelijk werd ze bron van nieuw spiritueel leven. In zijn visioen van de opstanding spreekt Ezechiël zijn volk moed in. De Heer zal hun zijn geest schenken, hen doen herleven en terugvoeren naar hun land.
In de evangelielezing wordt het graf van Lazarus geopend, het verhaal vormt een voorafbeelding van wat Jezus zelf te wachten staat. Geconfronteerd met de dood van zijn vriend, openbaart Jezus zich als de verrijzenis en het leven.
In Jezus zien wij dat Gods heerlijkheid de dood overwint. De destructieve krachten lijken in onze wereld al te vaak de overhand te krijgen. Toch zijn ze voor heel wat christenen ook een uitdaging tot alertheid en inzet. (F.C.)



eerdere artikels
