De herder gaat op zoek naar dat ene verloren schaap, de vrouw die maar tien drachmen bezit keert het huis ondersteboven om die ene verloren drachme terug te vinden, en de vader ontvangt zijn verloren zoon met open armen.
Als je iets verloren hebt, als je iets kwijt bent, of je bent op zoek naar iemand, dan is het in zekere zin nu juist níet verloren. Je kunt er alleen niet bij, maar daarom is het nog wel van jou. Als je iets zoekt wat je kwijt bent, dan is dat emotioneel zelfs méér van jou dan al het andere wat je niet kwijt bent.
Zo is het bij de mensen en zo is het ook bij God. De mensen hebben God de rug toegekeerd. God is de mensen kwijt, in die zin: ze zijn hun eigen wegen gegaan, hun hart is ver van God, ze zijn thuis weggelopen, ze denken zelfs niet meer aan God. En dan denken de mensen zelf al vlug dat God dat ook doet, dat God ook niet meer aan hén denkt. Dat ze zelf niet meer aan God denken, projecteren ze op God. Ze denken: we hebben niets met God, dan heeft God ook niets met ons.
Maar zo is het beslist niet. God is de mensen alleen maar kwijt. Ze lopen verloren rond hier op aarde, maar in zijn Hart is God met hen bezig. Hij is met hen begaan. Hij lijdt eraan dat ze verloren rondlopen.
Ouders hebben dat ook wel wanneer hun kinderen het huis zijn uitgegaan en niets meer van zich laten horen. Kinderen projecteren dat ook dikwijls op hun ouders, zo van: mijn ouders denken ook niet meer aan mij. Als ze wisten hoeveel pijn de ouders daarvan hebben, dan zouden ze nooit op zo'n afstand blijven.
(Vrij naar http://www.petruscanisiusstichting.nl/index.html)




