Afdrukken
Categorie: hoofdartikel
Hits: 247

De scheiding van kerk en staat lijkt voor ons een verworvenheid sinds de Franse Revolutie (1789), de Verlichting (XVIIIe eeuw), maar toch is ze niet zo evident: in België werd ze impliciet ingeschreven in de Belgische Grondwet van 1831, maar toch betaalt de Staat nog steeds het onderhoud van de gebedshuizen en de wedde van de bedienaren van de erkende erediensten. In het Verenigd-Koninkrijk staat de Queen aan het hoofd van de Anglicaanse Kerk; in Nederland staat er op de rand van de muntstukken van 2 Euro “God zij met ons”. In Saoedi-Arabië en in Iran hebben de geestelijken de politieke macht in handen en geldt er een streng islamitische en dus religieuze wetgeving. In Israël hebben de rabbijnen nog steeds een belangrijke politieke macht; een burgerlijk huwelijk bestaat niet eens!

Jezus’ antwoord op de zoveelste strijdvraag van de Farizeeën lijkt een heel profetische voorafspiegeling van de scheiding van Kerk en Staat:

“Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt.”

Laten we de strijdvraag (“is het geoorloofd belasting te betalen aan de keizer of niet?”) historisch kaderen. Vanaf 63 v. Chr. stond Judea onder Romeins gezag. Na de dood van Herodes de Grote in 4 v. Chr. werd het rijk onder zijn 3 zonen verdeeld: Herodes Archelaüs (Judea, Samaria & Idumea), Herodes Antipas (Galilea & Perea), Filippus (de gebieden ten noordoosten van het Meer van Tiberias). De Romeinen waren baas, hadden weinig of geen interesse voor de Joodse godsdienst, wilden vooral dictatoriale rust en vrede (Pax Romana) en de meeste Joden bleven dromen van een onafhankelijke Staat op basis van de Thora en de bijbehorende godsdienstige tradities. Veel Joden droomden van een Messias, die niet alleen de profeet Mozes, maar ook de grote koning (Staatsman) David zou overtreffen. Toen Jezus Zich begon te profileren als de lang verwachte Joodse Messias, gingen de verwachtingen in die richting: “Zijt Gij de Komende, of hebben wij een ander te verwachten?” (Mt 11, 3). Jezus antwoordde als volgt op de vraag van Johannes de Doper: “blinden zien en lammen lopen, melaatsen genezen en doven horen, doden staan op en aan armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd”. Volgelingen als Judas zullen gedacht hebben dat dit allemaal mooi was, maar niet veel zoden aan de dijk bracht, op politiek-militair vlak. Het lijkt er op dat Jezus geen politieke ambitie had (Joh 18, 36): “Mijn koningschap is niet van deze wereld.”

Jezus wou er niet voor strijden, Hij wou geen oorlog beginnen tegen de Romeinen, Hij wou geen geweld gebruiken (net zoals vele eeuwen later Gandhi en M.L. King). Integendeel, Jezus riep op tot het liefhebben van de vijanden (Mt 5, 44) en tot het betalen van belastingen aan de keizer (Augustus tot in 14 n. Chr., Tiberius tot in 37 n. Chr.). Later liep alles mis met Caligula (tot in 41 n. Chr.), Claudius (tot in 54 n. Chr.), Nero (tot in 68 n. Chr., waarschijnlijk de 666 in persoon), Galba, Otho, Vitellius, Vespasianus (van 69 n. Chr. tot 79 n. Chr.), Titus (tot in 81 na Chr.), Domitianus (die zich tot in 96 n. Chr. god waande),… Vespasianus en Titus vernielden de Tempel van Jeruzalem in 70 n. Chr.; na de mislukte opstand van een Joodse messias-figuur (Sjimon bar Kochba) in 135 n. Chr. werden de Joden verbannen uit Judea en begon de diaspora van de Joden. Zelfs de naam Judea wordt door de Romeinen opzettelijk afgeschaft en vervangen door Palestina (een naam die terugslaat op de Filistijnen, de aloude vijand van de Israëlieten). In 1948 werd de Staat Israël opnieuw uitgeroepen. De rest van het verhaal is bekend en heeft consequenties tot vandaag de dag...

Kortom, we mogen gerust concluderen dat de beroemde woorden van Jezus "Geeft dan aan de keizer wat de keizer toekomt, en aan God wat God toekomt" een hoog profetisch gehalte hadden dat tot op heden weerklinkt.

Bernard